Voedsel is nog nooit zo veilig geweest als vandaag de dag. Toch lijkt het tegendeel soms het geval: berichten over alles wat met voeding en voedsel te maken heeft, buitelen de laatste tijd over elkaar heen. Sinds de jaren ‘80 is er veel aandacht besteed aan de ontwikkeling van kwaliteitscontrolesystemen, veiligheidsprocedures en aanpassingen in bedrijven en fabrieken. Door de verfijndere meetapparatuur en detectiemethoden zijn tal van nieuwe, risicovolle stoffen ontdekt en zijn daartegen passende maatregelen genomen.

Welke problemen of risico’s kunnen we tegenkomen met betrekking tot de voedselveiligheid? Grofweg zijn de risico’s in drie groepen onder te verdelen:

  • Besmetting met ziekteverwekkers, zoals salmonella, campylobacter, E-coli, Clostridium botulinum of Listeria
  • Resten van schadelijke bestrijdingsmiddelen of bijvoorbeeld schoonmaakmiddelen die bij de voedingsindustrie zijn gebruikt
  • (Milieu)verontreiniging die in de producten komt, bijvoorbeeld dioxines

Product recall

Kwaliteitscontrolesystemen en meettechnieken moeten de fouten uit het systeem halen. Meestal lukt dat op tijd. Soms ontdekt men een verontreiniging te laat en moet men een product terugroepen uit de winkels. Dat noemt men een product recall. Voor zo’n actie is een goede samenwerking nodig tussen de verschillende schakels in een voedselketen. Door de uitwisseling van informatie over een product kan bij een calamiteit de oorzaak van het probleem sneller opgespoord worden. Hierdoor kan dus effectiever een maatregel, zoals een terugroepactie, worden genomen.

Zorgsystemen

Er zijn verscheidene ketenzorgsystemen: IKB (Integrale Keten Beheersing) voor de veehouderij, MPS in de sierteelt, KPA (Kwaliteitsproject Akkerbouw) voor de akkerbouw. In de zuivelsector heet het systeem KKM (Keten Kwaliteit Melk). Ook de diervoedersector heeft een eigen ketenzorgsysteem: GMP+HACCP. GMP is de afkorting van Good Manufacturing / Managing Products. HACCP (‘Hazard Analysis and Control on Critical Points’) is een kwaliteitscontrolesysteem dat wordt gebruikt door de voedingsmiddelenindustrie. GMP+ is in 1999 ingevoerd. Met de invoering van een HACCP-systeem gaat de Nederlandse diervoederbranche verder dan wat in andere landen gebruikelijk is. De invoering van HACCP betekent onder meer dat ook de buitenlandse leveranciers van diervoedergrondstoffen moeten werken volgens dit systeem. Wie dat niet doet, mag niet leveren.

Van alle tijden

Voedselveiligheid is van alle tijden. Zelfs de Oude Grieken en Romeinen waren bezorgd om de veiligheid van hun voedsel en namen derhalve hun maatregelen. Vergiftigen was in die dagen in hogere kringen niet ongewoon. Heersers deden een beroep op een ‘voorproever’ om de voedselveiligheid te controleren. Onze verre voorouders hebben door ‘gissen en missen’ (‘trial and error’) veilig voedsel van onveilig voedsel leren onderscheiden. Tegenwoordig wordt een beroep gedaan op een gas-chromatograaf, vloeistofchromatograaf, een nabije-infrarood-spectrometer (NIRS) of zelfs op de PCR-techniek (‘Polymerase Chain Reaction’). Die kan op basis van DNA-fragmenten de kleinste schimmel of bacterie in onze voeding opsporen. Die kennis wordt dan ook gebruikt om ons voedsel steeds veiliger te maken. De risicoanalyse kan dan steeds scherper worden afgesteld.

Aanvaardbaar risico

Hoe meer men weet, hoe duidelijker het wordt dat ‘nulrisico’ (‘zero risk’) ook in de voeding niet bestaat. Hoe groot mag het risico dan wel zijn? Dat kan verschillen van geval tot geval, van toepassing tot toepassing. Er moet voor elke toepassing afzonderlijk een analyse van het risico worden uitgevoerd. Hoe een dergelijke risicoanalyse moet gebeuren staat nauwkeurig beschreven.

Zaak van bedrijfsleven en overheid

Dat het voedsel veilig geproduceerd moet zijn, is primair de verantwoordelijkheid van de boer, de tuinder en de voedingsmiddelenindustrie. Maar ook de overheid heeft daarin een belangrijke verantwoordelijkheid. Ze is namelijk verantwoordelijk voor de volksgezondheid. De overheid stelt risiconormen vast en maakt wettelijke regelingen om die voedselveiligheid te bevorderen. De Bestrijdingsmiddelenwet bijvoorbeeld regelt de toelating van nieuwe gewasbeschermingsmiddelen.

Als er sprake is van een grote calamiteit neemt de overheid aanvullende maatregelen om de directe risico´s en gevaren voor de volksgezondheid te beteugelen. Dat is bijvoorbeeld gebeurd na de ontdekking van BSE-koeien in Nederland. Zij doet dat in zo´n geval meestal in samenwerking en in overleg met het bedrijfsleven en andere betrokken partijen. Ook is Nederland verplicht de Europese Commissie te informeren.

De Voedselautoriteit

Sinds 2001 heeft Nederland een eigen Voedsel- en Warenautoriteit (VWA). Die beoordeelt de risico´s van de voedselveiligheid en houdt toezicht op de naleving van de regels op dat gebied. De VWA wordt in de toekomst ook verantwoordelijk voor het crisismanagement in geval van een calamiteit met een product.

Europese autoriteit

Wat de VWA is voor Nederland, is de Europese Voedselautoriteit (EVA) voor de Europese Unie. De belangrijkste doelstellingen van het Europese voedselveiligheidsbeleid zijn transparantie, informatie en etikettering. De EVA moet met hulp van de beste wetenschappers de mogelijke risico’s beoordelen en deze informatie doorspelen aan publiek en overheid. De overheid bepaalt aan de hand van deze informatie een risicodrempel.

De Europese eisen voor de veiligheid van ingevoerde producten moeten voldoen aan de internationale normen die zijn afgesproken in de Wereldhandelsorganisatie. Vaak wil de EU strengere eisen stellen. Dit mag alleen als wetenschappelijke argumenten dit onderbouwen. Strenge eisen werken handelsbelemmerend. Vooral ontwikkelingslanden hebben daar last van. Deze landen hebben volledig vrije toegang tot de Europese markt volgens het onlangs gesloten ‘Everything but Arms’-handelsakkoord. Voor landen met hoge temperaturen en luchtvochtigheid, waar schimmels gemakkelijk kunnen groeien, zijn normen voor de schadelijke micotoxines nooit haalbaar. Het alternatief is toch deze producten binnenlaten, hoewel ze niet aan de strenge voedselveiligheidsnormen voldoen en dus een potentieel risico voor de volksgezondheid vormen.

Controle-instanties

Op de voedselveiligheid in Nederland wordt toegezien door tal van controle-instanties. Onder andere de Keuringsdienst van Waren, de Algemene Inspectiedienst (AID), het Kwaliteitscontrolebureau voor tuinbouwproducten (KCB), de Rijksdienst voor de Keuring van Vee en Vlees (RVV) en de Stichting Kwaliteitsgarantie Vleeskalversector (SKV). SKV controleert onder andere op het illegaal gebruik van hormonen.

In de diervoedersector controleert de Keuringdienst Diervoedersector (KDD). De diervoederindustrie heeft onder meer ook een zogeheten Early Warning System opgezet. Dit waarschuwingssysteem treedt in werking zodra tijdens de productie van diervoeder een verdacht stofje in een diervoedergrondstof is gevonden.

Ook sommige maatschappelijke organisaties, de Consumentenbond bijvoorbeeld, controleren de veiligheid van voedsel. Dat gebeurt steekproefsgewijs.

Jaarverslag

De producten uit de land- en tuinbouw worden onderzocht op resten van gewasbeschermingsmiddelen, diergeneesmiddelen en milieuverontreinigende stoffen. Het Rijks-Kwaliteitsinstituut voor Land- en Tuinbouwproducten (RIKILT) publiceert sinds 1996 jaarlijks de bevindingen van dit onderzoek. Nederland blijkt ieder jaar weer de schoonste producten te hebben. Dat moet ook wel. Nederland exporteert driekwart van zijn producten. Dat kan alleen als de producten van onberispelijke kwaliteit zijn.

Veiligheid

De controlesystemen hebben ervoor gezorgd dat de risico’s als gevolg van menselijk falen bij de productie heel klein zijn. Absoluut honderd procent voedselveiligheid waarborgen kan echter nooit iemand. Sommige risico’s zijn eenvoudig nooit helemaal uit te bannen. Zo is er altijd een mogelijkheid dat van een stofje of een micro-organisme nog niet ontdekt is, dat het schadelijk voor de gezondheid is. Wilt u dit risico tot een minimum beperken? Zorg voor perfecte voedselveiligheidsmaatregelen en koop uw producten bij HygiëneSupply!